Ter inspiratie
Voorbij het beeld
30 september 2026
over kennen, ontmoeten en één zijn
We zijn ontzettend goed geworden in het categoriseren en indelen van mensen. Om de ingewikkelde werkelijkheid om ons heen begrijpelijk te maken, hebben we talloze groepen, categorieën en diagnoses in het leven geroepen, waarvan de DSM-5 een treffend voorbeeld is. We benoemen kenmerken, herkennen patronen en plakken daar etiketten op. Dit gebeurt net zo goed binnen de kerk: we maken onderscheid tussen gereformeerd en hervormd, of orthodox en vrijzinnig, en oordelen dat wie een specifieke opvatting heeft wel ‘zus of zo’ zal zijn. Dat we willen begrijpen is een heel menselijke behoefte, maar juist daarin schuilt een groot gevaar. Zodra we iemand een label hebben gegeven, krijgen we namelijk al snel de illusie dat we diegene ook écht kennen, terwijl een naam, een diagnose, een overtuiging of een kerkelijke identiteit nooit samenvalt met de mens zelf. We zijn altijd meer, of we zijn anders, en misschien is de grootste uitdaging van een werkelijke ontmoeting wel het verdragen dat de ander zich nooit volledig laat begrijpen.
Dit doet denken aan het aloude gebod om geen gesneden beelden te maken. Een gesneden beeld is immers veel meer dan een fysiek object van steen of hout; het staat voor de diep menselijke neiging om het ongrijpbare vast te willen leggen, om iets wat groter is dan onszelf in een vaste vorm te gieten en te beweren: “dit is het.” Zodra wij echter zeggen dat God exact dít is, maken we Hem onmiddellijk kleiner dan Hij werkelijk is. Iedere voorstelling van God, elke theologie en zelfs de meest zorgvuldig gekozen woorden blijven immers het werk van mensen. Dat maakt onze taal niet betelineerloos, maar het betekent wel dat onze woorden nooit volledig samenvallen met de goddelijke werkelijkheid waarnaar ze verwijzen. Om die reden zou ons spreken over God én over de ander altijd getuigen van bescheidenheid. Niet: “zo is God” of “dit is de ander”, maar liever: “zo heb ik God leren kennen” en “dit is wat ik tot nu toe van de ander heb mogen zien.”
We doen vaak alsof kennen het tegenovergestelde is van niet-weten, terwijl het echte kennen wellicht pas begint wanneer we beseffen hoeveel we eigenlijk níét weten. Je kunt immers jarenlang met iemand samenleven en op een dag toch iets nieuws in de ander ontdekken—niet omdat diegene plotseling veranderd is, maar omdat jouw beeld van hem of haar nooit volledig was. Echte kennis vraagt daarom om voortdurende ontmoeting, tijd, nabijheid, aandacht en intimiteit. Die intimiteit is kwetsbaar, omdat het van ons eist dat we bereid zijn onze beelden te laten corrigeren. Dat is moeilijker dan het lijkt, want een vaststaand beeld geeft rust en maakt de wereld overzichtelijk. Als ik meen te weten wie jij bent, weet ik ook wat ik kan verwachten, maar als ik werkelijk naar je kijk, moet ik misschien onder ogen zien dat je anders bent dan gedacht—en dan moet mijn beeld wijken voor jou.
De filosoof Martin Buber bracht dit onderscheid scherp onder woorden in zijn filosofie over de Ik-Het- en de Ik-Gij-verhouding. In een Ik-Het-relatie kan ik de ander bekijken, analyseren en categoriseren als onderdeel van mijn eigen kennis. In een Ik-Gij-ontmoeting gebeurt er echter iets wezenlijk anders: daar sta ik tegenover iemand die niet in mijn denkbeelden past en niet als object te doorgronden valt, maar een unieke ‘Gij’ is. Je kunt weliswaar iets over iemand weten zonder diegene ooit te ontmoeten, maar je kunt de ander nooit werkelijk ontmoeten zonder bereid te zijn dat jouw kennis over hem verandert.
Dit principe geldt misschien nog wel sterker in onze verhouding tot God, al neemt het christelijke verhaal hierin een verrassende wending. Het christendom stelt immers niet dat God volstrekt onkenbaar blijft, maar juist dat Hij zichtbaar wordt in de praktijk. Met de uitspraak “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” zegt Jezus iets radicaals: God wordt niet slechts beschreven, maar geleefd. Jezus doet wat Hij de Vader ziet doen, en Zijn omgang met mensen, Zijn bewogenheid, waarheid en liefde maken de Vader tastbaar. Discipelschap betekent in essentie dan ook niet dat we steeds meer verstandelijke kennis óver Jezus verzamelen, maar dat ons eigen leven steeds meer gaat lijken op wat we in Hem zien, zodat Christus in ons zichtbaar wordt.
Daarom zegt Jezus in Johannes 17 ook: “Het eeuwige leven is dat zij U kennen, de enige ware God, en Jezus Christus die U gezonden hebt.” Eeuwig leven is bij Jezus geen verstandelijk dogma of een toekomstige bestemming, maar een tegenwoordige relatie van ontmoeten en kennen. Het geeft ook een diepere lading aan Jezus’ gebed om eenheid: “Dat zij allen één zijn, zoals U, Vader, in Mij bent en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn.” Deze volmaakte eenheid gaat over veel meer dan een groep mensen die het toevallig eens is geworden over dezelfde antwoorden of leerstellingen. Het gaat over een diepe, innerlijke verbondenheid en het deelnemen aan hetzelfde goddelijke leven—een eenheid die veel verder reikt dan menselijke ideeën, systemen en formuleringen. Waar wij vaak geneigd zijn geloof te reduceren tot het onderschrijven van bepalende overtuigingen, nodigt het evangelie ons uit tot een leven dat daadwerkelijk verwoven raakt met God zelf. We worden niet God en de grens tussen Schepper en schepsel vervaagt niet, maar we mogen door de Zoon delen in het leven van de Vader.
Als we deze woorden toelaten, beginnen onze gebruikelijke categorieën te schuiven en zien we waarom religie soms zo gemakkelijk een obstakel kan worden. Niet omdat geloof op zichzelf verkeerd is, maar omdat religieuze structuren tussen ons en de werkelijkheid in kunnen gaan staan. We kunnen immers zo druk zijn met onze denkbeelden over God dat we God zelf uit het oog verliezen, of zo vastzitten in onze opvattingen over de ander dat we de mens tegenover ons niet meer zien. Wanneer we exact meenden te weten wie gereformeerd, hervormd, orthodox, vrijzinnig, gelovig of ongelovig is, hebben we de ander weliswaar opgeborgen in een hokje, maar hem daarmee wellicht juist ontvlucht. Wie eenmaal volledig verklaard is, hoeft immers niet meer echt ontmoet te worden.
Werkelijk ontmoeten vraagt daarom om de bevrijdende bereidheid om ons geforceerde ‘weten’ even los te laten. Niet om onwetend te worden of de waarheid overboord te gooien, maar om te erkennen dat onze persoonlijke waarheid nooit het gehele plaatje beslaat. Met een houding van verwondering mogen we ons afvragen: “Wie ben jij werkelijk?” en “Wie bent U, God?” Dit zijn geen vragen die om één definitief antwoord vragen, maar levenslange vragen die ons gaande houden. Geloven betekent immers niet dat we God eindelijk in ons hoofd hebben opgesloten, maar dat we ons steeds opnieuw laten ontmoeten door de God die oneindig groter is dan ons beeld van Hem.
Vanuit dat perspectief wordt ook de medemens een heilige plaats van ontmoeting. Als ieder mens geschapen is naar het beeld van God, draagt iedereen een mysterie in zich dat groter is dan wat wij ervan kunnen maken. De ander is niet enkel een object om te begrijpen, maar een spiegel door wie we iets nieuws kunnen ontdekken over het leven en over God. De ander kan ons vertrouwde beeld verstoren, en soms is dat precies de opschudding die we nodig hebben om te blijven groeien.
We zullen altijd beelden blijven maken en taal, categorieën en diagnoses nodig hebben om te kunnen denken. Maar we moeten leren om die beelden weer los te laten zodra ze zich voordoen als de enige werkelijkheid. Een mens is immers geen diagnose, een christen is niet zijn kerkelijke etiket, en God is niet het starre beeld dat wij van Hem hebben geboetseerd. Omdat we altijd meer of anders zijn, vraagt werkelijk kennen om de moed om steeds opnieuw te kijken, te luisteren en te beginnen met de woorden: “Ik dacht dat ik wist wie je was, maar ik wil je opnieuw ontmoeten.” Zodra we het geforceerde beeld loslaten, maken we ruimte voor de werkelijkheid, voor de ander, voor God en voor het mysterie van ons bestaan, om zo te komen tot de verbondenheid waar Jezus over spreekt: niet alles vastleggen, maar werkelijk één worden in het kennen van Hem.
Zo wil ik jou ook graag ontmoeten en leren kennen.